De ultieme uitdaging!

23 september 2018 | Sjors Waterschoot

Sjors Waterschoot, 26 jaar oud en woonachtig in Eindhoven, is een fanatiek soortenjager. Net als de vogelaars die in grote drommen ten tonele verschijnen als er ergens in het land een bijzondere vogelsoort wordt gespot, is het ultieme streven van een vissende soortenjager om bijvoorbeeld alle vissoorten die als ‘inheems’ in onze Nederlandse (of Belgische) wateren worden genoemd, ooit eens gevangen te hebben en bij voorkeur ook nog eens vast te hebben gelegd op beeld. In de volgende bijdrage vertelt Sjors over zijn passie.

 

Deze bijdrage verscheen eerder in uitgave no. 352 van Zeehengelsport magazine en is speciaal voor onze site opnieuw vormgegeven.

 

Gehoornde slijmvis (Parablennius gattorugine)

 

Als kind viste ik veel met mijn vader. We visten vooral met de vaste stok en ook vaak op snoek. Af en toe gingen we met een boot mee op de makreel en een enkele keer werd er van het strand of een pier gevist. Toen ik een jaar of 12 was ging ik, vanwege andere interesses, eigenlijk nooit meer met mijn vader mee.
Zo'n tien jaar later, tijdens de zomervakantie, begon het langzaam steeds meer te kriebelen om weer eens een hengeltje uit te gooien. Uit de schuur haalde ik een oude spinhengel, een pennetje en een paar haakjes. Ik begon op het dichtstbijzijnde sierwatertje. De eerste vangsten waren voorns en giebels. Al snel ving ik ook brasem, baars en karper. Na een aantal keer vissen, ging ik vooral alleen nog drijvend op karper vissen, maar na een paar maanden op dezelfde karpers wilde ik iets anders. Maar wat?

 

Bij mij in de buurt stroomt een beekje waar we vroeger stekelbaarsjes vingen voor in het aquarium. Deze parmantige mini’s wist ik ook al snel te vangen. Tijdens het zoeken naar een andere stek, zag ik een ander visje voor m’n voeten wegschrikken. Een zwart visje. Die zal wel 's nachts actief zijn, dacht ik. Een week later ging ik rond 03.00 uur (!) terug met een handlijntje, waaraan ik een haakje maat no. 20, een paar knijploodjes en een stukje mestpier had bevestigd. Na nog geen vijf minuten voelde ik al gespartel aan de andere kant van de draad. Dit is hem, de vis die ik hier eerder al zag!

 

Op internet kwam ik er achter dit een bermpje betrof (Barbatula barbatula). Deze vangst zette mij aan het denken. Als zoiets speciaals hier al zit, wat zou er dan nog meer op andere plekken kunnen zitten? Welke vissen worden er nog meer zo goed als nooit gevangen? Hoewel ik het zelf op dat moment nog niet wist, was een soortenjager geboren...

 

De-ultieme-uitdaging-02

Bermpje (Barbatula barbatula).
Foto: Veldgids De Nederlandse Zoetwatervissen / Sportvisserij Nederland

 

Openbaar vervoer

Vanaf dat moment ging ik overal actief op zoek naar nieuwe soorten. Om dit wat minder van het toeval af te laten hangen, vlooide ik vele boeken en veldgidsen door, speurde ik het internet af naar bijzondere vangsten en ging ik rondvragen en zoveel mogelijk plekken uitproberen. Geholpen door de verzamelde achtergrondinformatie ving ik in de periode nadien steeds meer nieuwe soorten. In ongeveer een jaar tijd had ik er meer dan 40 verzameld… In dezelfde periode startte ik met een opleiding toegepaste biologie. Op school leerde ik met plezier en daarnaast kwam de studenten OV-kaart goed van pas, want ik ging steeds verder reizen om nieuwe soorten te kunnen vangen. 

 

Veldgidsen Sportvisserij Nederland

Onontbeerlijk als je op zoek wilt naar de in onze Lage Landen voorkomende vissoorten, zijn de twee veldgidsjes van Sportvisserij Nederland.
In de Veldgids De Nederlandse Zoetwatervissen vind je de foto’s en beschrijvingen van in totaal meer dan 70 soorten die in de Nederlandse binnenwateren kunnen worden aangetroffen en in de Veldgids De Nederlandse Zeevissen staan de uitgebreide beschrijvingen van maar liefst 119 verschillende zeevissoorten. De Veldgids De Nederlandse Zoetwatervissen kost e 7,50 en de zoute versie e 10,- maar voor e 12,50 ontvang je beide gidsjes in één keer.
Ze zijn heel simpel te bestellen via de webwinkel op de site www.sportvisserijnederland.nl

 

Zoute grondels

Hoe meer soorten je op je lijst hebt kunnen bijschrijven, des te moeilijker het wordt om nog nieuwe namen te kunnen toevoegen. Na iets meer dan een jaar brak dát moment voor mij op het zoete water aan. Doordat het lastiger werd, begon ik meer en meer te dromen van de zee. Alle soorten van vroeger tel ik niet mee op mijn lijst, dus iedere zeevissoort zou in principe een nieuwe zijn. De eerste keren zeevissen, vond ik heel lastig. Dat kwam omdat ik gewend was met een picker te vissen; zo licht mogelijk, om ook de allerkleinste soorten te kunnen vangen. Daarbij beschikte ik niet over het juiste (zeevis)materiaal en goed zeeaas regelen is in Eindhoven ook al geen sinecure.


De eerste keer, in het makkelijk met de trein bereikbare Vlissingen, ving ik een paar dikkopjes (Pomatoschistus minitus), een inheemse grondelsoort van miniformaat. Dit visje wordt hooguit iets meer dan 10 cm lang.Kort daarna ving ik in Bruinisse zowel een brakwatergrondel (Pomatoschistus microps) als een zwarte grondel (Gobius niger). 

 

De grondelfamilie is voor een soortenjager een interessant en dus gewild doelwit. Er zijn alleen al in ons kustwater een kleine 10 verschillende soorten bekend en in de monding van de grote rivieren kom je in het brakke water dan ook nog diverse zoetwatersoorten voor zoals de zwartbekgrondel (Neogobius melanostomus). Al die soorten houden zich op- of dicht tegen de bodem op en het zijn allemaal ook felle rovertjes; vrijwel geen aassoort is veilig voor ze. De grondels die ik in Zeeland ving zijn echter weliswaar ‘zeevissen’ in de strikte zin van het woord, maar eigenlijk niet de soorten waar je op hoopt als je op zout water vist. 


Een paar weken later was ik terug in Vlissingen en ving ik een paar scholenbaarsjes. De eerste 'echte' zeevissen waren daarmee binnen en ik was helemaal om; ik beschouw zeevissen nu als één van de mooiste visserijen die er is.

 


Grondels te kust en te keur

De-ultieme-uitdaging-04

De-ultieme-uitdaging-05

De-ultieme-uitdaging-06

Brakwatergrondel (Pomatoschistus microps), dikkopje (Pomatoschistus minitus) en zwarte grondel (Gobius niger).

 

In hetzelfde jaar vond ik een filmpje op internet over het vissen op slijmvis (Lipophrys pholis) waarin haarfijn wordt uitgelegd hoe je die fanatieke rovertjes kunt vangen. En dat leek heel eenvoudig: gewoon bij hoog water een stukje zager of een pier op een karperhaak in maat no. 8 tussen de stenen laten zakken. Op deze manier zouden ze achter elkaar door bijten. Simpeler kan haast niet – zou je zeggen!


Aangezien dit filmpje in Scheveningen was opgenomen, ging ik daar dezelfde week nog naar toe. Wat ik fout deed weet ik niet, maar er kwam niet één slijmvis boven! Om mij heen werd op wat grotere werpafstand vanaf de havenhoofden wel bot, schar en wijting gevangen. Hier zou ik dus vaker gaan vissen en niet alleen op slijmvis… 

 

Die dag ving ik overigens wel een groene zeedonderpad (Taurulus bubalis), waardoor de dag niet helemaal mislukt was. Door verschillende soorten te ‘sparen’, ga je de kleintjes meer waarderen. Eén van de leuke kanten van soortenjagen is dat één klein visje je dag helemaal kan maken…

 

Vijfdradige meun

Doordat ik alleen licht materiaal bij me had en me niet altijd optimaal had kunnen voorbereiden, was ik vaak op zoek naar plekken met minder stroming en daarnaast speurde ik ook naar vers aas om te kunnen gebruiken. Soms leek een dagje soortenjagen dan ook meer op een verkenningstocht dan op vissen, maar juist ook dat aspect maakt het voor mij interessant. Zo wist ik in Hoek van Holland tijdens het zoeken naar garnalen om als vers aas te kunnen gebruiken een vijfdradige meun (Ciliata mustela) te vangen en dat cadeautje maakte m’n hele dag al geslaagd.
Tegenwoordig probeer ik altijd een back-up plan te verzinnen voor als het originele plan niet lukt. Bijvoorbeeld eerst met opkomend water vanaf het strand vissen en dan bij hoog water dropshotten langs kadewanden.

 

De-ultieme-uitdaging-07

Het natuurlijk habitat van de soortenjager…

 

Nóg een verrassing!

Niet veel later ging ik toch weer een poging wagen in Scheveningen. Deze keer viste ik met zagers en direct al in het eerste diepere poeltje tussen de basaltblokken van het havenhoofd was het raak. Deze dag beten er wel heel erg veel en na ongeveer 35 (!) slijmvissen besloot ik om niet meer tussen de stenen te vissen, om zodoende aas te sparen. Helaas ving ik wat verder buiten de stenen met de feeder niks.

 

Tegen het einde van de middag besloot ik om dan nog maar enkele slijmvisjes te vangen. Gewoon voor de leut. Al snel krijg ik beet. Als de vis uit het water is, zie ik dat deze anders is gekleurd dan de andere slijmvissen. Ook heeft hij twee kleine sprietjes op zijn kop. En verdraaid: het blijkt een gehoornde slijmvis (Parablennius gattorugine) te zijn.  

 

Deze soort was toen nog niet zo vaak gevangen in Nederland, maar uit deze ene spleet wist ik er maar liefst acht tevoorschijn te toveren! Scheveningen is onder soortenjagers een bekende plek om slijmvis te vangen, maar geen van mijn collega’s had daar ooit de gehoornde variant gevangen. Dit is ook één van de prachtige dingen die kunnen gebeuren met soortenjagen. Doordat je aparte technieken gebruikt, kunnen er ook aparte soorten boven komen.

 

De-ultieme-uitdaging-08

Het havenhoofd van Scheveningen bleek een topstek.

 

De-ultieme-uitdaging-09

Een groene zeedonderpad (Taurulus bubalis) als onverwachte verrassing.

 

Oesters

In Vlissingen stond ik ooit met afgaand water van het Nollehoofd te vissen. Na vier uur zonder ook maar één aanbeet, zag ik tussen de stenen steeds meer getijdenpoeltjes ontstaan. Op beide hengels gebeurde toch niks en dus ging ik die poeltjes maar eens inspecteren. Al snel zag ik een grondeltje en een kleine meuntje liggen. Daarom maakte ik vlug een handlijntje en ging ik alle poeltjes af, hopend dat ik een nieuwe soort zou vinden. De meun en het grondeltje was ik al snel kwijt, maar in één van de laatste poeltjes zag ik een slangachtig visje van een centimeter of vier. Wat zou dit zijn? 

 

Ik pestte het visje met een stukje garnaal op m’n haak, maar het vluchtte al snel een lege, rechtopstaande oesterschelp in. Zouden er meer in die oesters zitten? Ik bood mijn aasje aan in een paar oesters en al snel kreeg ik beet! Deze vis was een stukje groter dan het aaltje dat ik eerder had gezien, maar wel van dezelfde soort. Een schitterend botervisje (Pholis gunnellus). Als klap op de vuurpijl ving ik er drie minuten later nog eentje. Prachtig! Dit is voor mij nog steeds een van de mooiste ervaringen als soortenjager: je vistechniek aanpassen op wat je ziet en hierdoor succes hebben. Dat geeft beslist extra voldoening.

 

De-ultieme-uitdaging-12A

Juist mini’s als zo’n botervisje (Pholis gunnellus) vormen vaak de grootste uitdaging!

 

GEVLEKTE LIPVIS

In september 2015 stond ik op het noordelijk havenhoofd van Scheveningen. Het idee was om tussen de blokken te dropshotten met een trosje maden, zodat mijn aas op een inktvisje zou lijken. 
Al bij de eerste keer laten zakken, werden de maden meteen gepakt. Ze waren nog geen vijf centimeter afgezonken. De vis vocht als een gek aan het ultralichte hengeltje. Door een klein wonder bleef mijn 16/00 nylon gespaard en kon ik de vis met moeite uit het water takelen. Een gevlekte lipvis (Labrus berggylta). Een fantastische vangst, waardoor ik met veel vertrouwen verder viste. Hoewel ik vastberaden alle plekjes op het havenhoofd af ging, heb ik verder geen enkele aanbeet meer gehad, maar deze dag kon desondanks natuurlijk niet meer stuk. 
Helaas is ‘iets nieuws’ uitproberen lang niet altijd zo succesvol. Ik heb heel wat puur slechte dagen moeten zien te overleven, maar daar heb ik het liever niet over…

 

De-ultieme-uitdaging-12

Gevlekte lipvis (Labrus berggylta).

 

De-ultieme-uitdaging-10

De-ultieme-uitdaging-11

De slijmvis (Lipophrys pholis) en de gehoornde slijmvis (Parablennius gattorugine).

 

PLATVIS

Hoewel ik door het zoeken en peuteren tussen de stenen wel eens een aparte soort ving, begon het te wringen dat ik nog steeds geen platvis had weten te vangen! In de herfst en winter van 2014 moet het me toch echt een keer gaan lukken! Inmiddels viste ik met een nieuwe strandhengel en zorgde ik nu wel steeds voor pieren of zagers. Garnalen, vis, mestpiertjes en maden nam ik ook nog wel eens mee, maar zagers en pieren blijken in de praktijk aan zee meestal toch het meest effectief. Tijdens drie pogingen in Hoek van Holland, wis ik alleen wijting te vangen. Dat was weliswaar (voor mij…) weer een nieuwe soort, maar ik wilde zo graag eens een bot of schar vangen.


Ik besloot derhalve om Scheveningen maar weer eens aan te doen en op een koude ochtend in december stond ik daar in m’n dooie eentje te koukleumen op het noordelijk havenhoofd. Beten kreeg ik niet en na een paar uur rilde ik zodanig van de kou, dat ik besloot om in te pakken en een stuk langs het strand te wandelen. Gewoon om een beetje op te warmen, opdat ik daarna weer verder kon vissen. Toen ik al wandelend onder de bekende pier aankwam, besloot ik om daar eens een paar keer uit te gooien langs de palen. Het duurde niet lang voordat ik beet kreeg en zie: daar was die zo gewenste schar. Eindelijk! 

 

De-ultieme-uitdaging-13

Scharretjes als niets meer of minder dan een persoonlijke overwinning!
 

Zo viste ik hier vanaf het strand onder de pier nog anderhalf uur verder en uiteindelijk ging ik met vijf scharren naar huis. Voor veel strandvissers ongetwijfeld een schamele vangst, maar een soort vangen waarnaar je al lang op zoek bent, betekent voor mij een overwinning.
Het kan per persoon nogal verschillen welke vissoort moeilijk te vangen blijkt te zijn. Voor mij was die eerste platvis een hele opgave. Er zijn altijd vissen die je niet verwacht en dan opeens vangt en dat is dan een leuke verrassing. Maar een gerichte missie laten slagen, geeft je toch meer bevrediging. Tijdens de eerste vissessie in 2015 had ik overigens al snel ook mijn eerste bot te pakken.

 

De-ultieme-uitdaging-14

En ook de bot was binnen…

 

IJmuiden

Ondertussen was ik via-via terecht gekomen op de site www.soortenjagers.nl de ‘community’ waarop eigenlijk alle in het vangen van zoveel mogelijk vissoorten geïnteresseerde en dus gelijkgestemde sportvissers elkaar ontmoeten. Echt een aanrader deze site. Je kunt er je persoonlijke lijst met gevangen soorten op bijhouden, maar ook een targetlijst en een kaartje met vangstlocaties. Van andere gebruikers zag ik vaak vissen voorbij komen die in IJmuiden waren gevangen. Toen ik van één van die vissers daarnaast ook nog eens een mailtje kreeg over de mogelijkheden om in dat havengebied haring, sprot en spiering te vangen, moést ik daar wel heen. 


Een lange trein- en busreis later kwam ik aan bij de jachthaven Seaport Marina, aan de zuidkant van het havengebied en grenzend aan de bekende Zuidpier. De soorten die ik zojuist noemde, kun je het beste belagen met een haring- of verenpaternoster. Dat had ik zelf echter nog nooit gedaan en ook nog nooit gezien en daarom was mijn vertrouwen die dag niet echt groot. Na een uurtje gooien gaf ik het op en ging ik op zoek naar een andere visstek. Ik klom een steenstort op en zag een school kleine visjes; welke soort het was, durfde ik niet te zeggen. 

 

De-ultieme-uitdaging-15

Ook IJmuiden is een ware hotspot voor de soortenjager.


Ik had twee hengels bij me en één daarvan legde ik met een mestpiertje op de haak gestoken tussen twee van die stenen. Met de andere probeerde ik die onbekende kleine visjes te vangen. Die mini’s reageerden op geen enkele wijze op mijn aas, maar tussen de stenen vielen de mestpiertjes wel heel erg in de smaak vandaag! Snel achter elkaar ving ik gehoornde slijmvissen, slijmvissen en groene zeedonderpadden. De school kleine visjes was na een uurtje vertrokken en ik besloot om nu met twee hengels tussen de stenen te blijven peuteren, in de hoop een (gewone) zeedonderpad te vangen. En zie: na zo’n 15 vissen was het raak: een zeedonderpad (Myocephalus scorpius). Dit bevestigde weer eens dat een plan achter de hand hebben, je visdag kan redden. 

 

De-ultieme-uitdaging-17

Na zo’n 15 vissen was het raak: een zeedonderpad (Myocephalus scorpius).

 

Grey Ghosts

Onderweg van de Marina naar de bus, zag ik in de haven diverse mooie grote harders zwemmen en wist toen: bij de volgende poging zorg ik ervoor dat ik een schepnet en brood bij me heb. Wie weet kon ik dan een harder vangen als de haring het weer af liet weten. Zien is geloven en dit was wel heel duidelijk!


Op een hete zomerdag besloot ik om weer naar IJmuiden te gaan. Na de lange reis stapte ik weer uit de bus bij de Seaport Marina en ik liep meteen door naar de steenstort, waar ik de vorige keer zo goed had gevangen. Op de veertjes beet er echter weer niks en de vissen tussen de stenen leken nu ook geen enkele zin te hebben in een mals piertje. Ik probeerde een paar uur van alles, maar besloot vervolgens om verder de Zuidpier op te lopen. Wat ik echter ook probeerde, ook daar kreeg ik niks gevangen.

 

Na wat twijfelen, besloot ik om terug te gaan naar de steenstort, maar op weg daar naartoe, zag ik in de Seaport Marina opnieuw de harders, joekels van wel 65 cm+. Zo stil mogelijk klom ik omlaag. Terwijl ik mijn hengel en schepnet klaar maakte, wierp ik af en toe een handje brood in het water om hun aandacht te trekken. Voordat ik klaar was om in te gooien, waren de vissen al aan het eten. Ze pakten vooral de zinkende stukjes en dus monteerde ik snel een paar knijploodjes zo'n 20 cm boven de haak. Daarmee bleef het broodje als een soort pop-up boilie boven het wier staan. Al snel werd mijn stukje brood aan de haak gepakt. Ik sloeg aan. Hangen?

 

De harder schudde eerst even in verwarring met zijn kop, maar ging er vervolgens als een speer vandoor. Hangen! Na een wilde dril kwam de grey ghost bij de kant. Het duurde even voordat ik de vis in het net kon laten schuiven, maar gelukkig kwam hij niet los. Gelukt! Een prachtig getekende diklipharder (Chelon labrosus) van maar liefst 68 cm! Je moet er wat voor over hebben - steeds in je eentje drie uur reizen om te kunnen vissen - maar dit soort successen maken dat meer dan de moeite waard.

 

Gul

Naast de lijst met gevangen soorten, houd ik per soort ook nog eens persoonlijke records bij. Soms vang je een nieuwe soort, maar wel een heel klein exemplaar. Natuurlijk tel ik die dan mee, maar de echte beleving die bij die vissoort hoort, heb je dan niet gehad… 
Zo was mijn eerste gulletje slechts 35 cm lang. Ik was natuurlijk heel blij met die nieuwe soort op mijn scorelijst, maar het zware takelen en de vermoeide armen die toch bij het vangen een 'echte' gul zouden moeten horen, heb ik die dag niet mogen ervaren. Tot afgelopen najaar. Samen met een collega-soortenjager ging ik opnieuw een dagje vissen in Scheveningen. Hij wilde graag een zeedonderpad vangen en ik hoopte op puitaal en eventueel een andere verrassing.


Om de kansen te spreiden, viste ik met zowel een strandhengel als een spinhengel. Aan de spinhengel had ik een loodje van twintig gram en één kort zijlijntje bevestigd en deze montage liet ik tussen de stenen van het havenhoofd recht naar beneden zakken. Normaal gesproken zorgt de spinhengel voor de nodige actie tijdens het wachten, totdat de strandhengel beet krijgt. Deze dag was het andersom. Bij de eerste worp zaten er aan de strandhengel meteen twee scharren en daarna leverde bijna iedere worp vis op. Na de vierde worp ging de strandhengel wel héél ver krom! Tegen de tijd dat mijn lood bijna bij de kant was, had ik voor het eerst daadwerkelijk lamme armen, waardoor ik bijna zeker wist dat het een flinke gul moest zijn. De vis kwam boven en 'ja, hoor!' : een dikke gul van zeker 50 cm plus.

 

De angst om hem nu alsnog te verspelen was groot. Het was nog laag water en de paternoster met 30/00 haaklijntjes is niet gemaakt om zulke grote jongens aan op te tillen. Gelukkig hield het nylon ook tijdens de eindfase van de dril en uiteindelijk wist ik de gul tot boven de blokken te manoeuvreren. Bij het optillen was het halverwege echter ineens: pats! Ik stond nog even verbaasd naar de vis te staren, die zo’n vier meter diep was gevallen. De gul lag daar in ondiep water en zo snel als ik kon, klom ik naar beneden. Eenmaal beneden zag ik de vis niet meer, maar schijnend met mijn zaklamp zag ik nog net zijn staart onder een steen uit steken.

 

Gelukkig kreeg ik hem te pakken en een vriendelijke medevisser die had gezien wat er was gebeurd, klom voor de helft van het dek van het havenhoofd naar beneden om de vis aan te pakken. Deze gul had wel heel erg veel spanning en inspanning gebracht, maar uiteindelijk had ik hem toch! Met een lengte van 55 cm was dit pas een echte gul!

 

De-ultieme-uitdaging-20

Met 55 cm plus de eerste échte gul!

 

Uitdagingen

Ondertussen heb ik alleen in Nederland al zo’n 70 verschillende vissoorten gevangen (Redactie: inmiddels zijn dat er 88!) . Natuurlijk vis ik vaker op dezelfde stek, maar door deze hobby ben ik al op heel veel plekken geweest waar ik normaliter nooit naar toe zou zijn gegaan. Als ik terug denk aan alle plaatsen waar ik ben geweest, is dat na een paar jaar al te veel om op te noemen en er zijn nog meer dan genoeg vissen over die ik niet heb weten te vangen.

 

Binnenkort hoop ik bijvoorbeeld nog een pollak te scoren. Verder zou ik deze winter graag een slakdolf, snotolf en/of vorskwab vangen. Deze drie soorten worden niet vaak gevangen in Nederland, maar ze zitten er zeker en de plannen worden steeds concreter. Als ik de kans vind, ga ik binnenkort nog naar Friesland om daar op puitaal en spiering te vissen. Verder ga ik in het voorjaar proberen houting te vangen en wat later in het jaar weer wat pogingen wagen op dunlipharder. 

 

Tot op heden is het mij nog niet gelukt om geep te vangen en sinds ik gericht ben gaan ‘soortenjagen’ heb ik ook nog nooit vanaf een boot gevist. Soorten als makreel, horsmakreel, schol, pieterman en de diverse ponen wil ik komend visjaar ook heel graag aan mijn lijst toe voegen. Natuurlijk heb ik nog veel meer ideeën op zout en zoet water, misschien wel te veel om op te noemen. 

 

Materiaal

Om succesvol te kunnen zijn bij het soortenjagen is qua materiaal eigenlijk niet eens zoveel nodig. Wanneer ik op zout water vis, heb ik naast een
rugzak, meestal twee hengels bij me en soms nog een eenpoot hengelsteun. 
Heel belangrijk is echter het kleine materiaal, zoals veel verschillende soorten en afmetingen haken. Ik heb in de regel diverse modellen haken bij me, variërend in maat tussen no. 6 en 24. Enige keuze aan aas is ook belangrijk. Naast zeepieren of zagers zorg ik eigenlijk altijd ook voor een bakje met mestpieren en eentje met garnalen. 
Voor de rest probeer ik vooral om alles zo licht mogelijk te houden, omdat ik meestal ver moet lopen en me op zoek naar andere stekken ook makkelijk moet kunnen verplaatsen. Het is belangrijk om af te gaan op wat je ziet. Soms 
zie je een nieuwe soort zwemmen of gevangen worden door iemand anders, maar je kunt ook naar mooie plekjes op zoek gaan. Zeker op zout water weet je van te voren nooit zeker wat je tegen gaat komen!

 

De-ultieme-uitdaging-18

 

Inspiratie

Wellicht heb ik met het beschrijven van enkele van mijn ervaringen bij het soorten jagen ook jou inspiratie gegeven om eens te kijken tot hoeveel vissoorten jij kunt komen. Eerst in Nederland en wie weet daarna ook nog in het buitenland. Dan gaat er letterlijk een hele wereld voor je open.
Een tip die ik mee wil geven voor als je gaat soortenjagen is: probeer van zoveel soorten tevoren al een goed idee te krijgen van hoe en waar je ze kunt vangen. Als je dan een dag de tijd hebt om te vissen, kun je één of twee van je plannen proberen uit te voeren. Steeds hetzelfde proberen, is zonde van alle variatie die het soortenjagen biedt!

 

Sjors Waterschoot

 

Dit artikel verscheen eerder in Zeehengelsport magazine no. 352

Meer weten over een abonnement? Klik hier.

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Reactie plaatsen

 

Uw reactie is meer dan welkom en zal bij goedkeuring door de redactie geplaatst worden.

 

Reacties (0)

Er zijn nog geen reacties geplaatst.