Denemarken deel 2: nieuwe vissoorten…

24 februari 2018 | door Albert Corporaal

Albert Corporaal vist net als veel andere Nederlandse en Belgische zeevissers, al jaren achtereen in Denemarken met een aantal vismaten. Omdat hij telkens nauwgezet de vangstgegevens en omstandigheden bijhoudt, levert dit mooie statistieken en leuke vergelijkingen op. In een serie van drie artikelen beschrijft hij de Deense visreizen op de Kleine Belt bij Middelfart op de website van Zeehengelsport. Vandaag deel 2: nieuwe vissoorten…

Ook in Denemarken heersen de schar en de wijting...

 

Veranderend klimaat

Mede door een veranderend klimaat lijkt het erop dat dit in het vissenbestand merkbaar is of naar alle waarschijnlijkheid zal gaan worden. We menen dit te weten, omdat we vissoorten gaan aantreffen in noordelijker wateren, terwijl we zulke soorten tot voor kort alleen kenden van meer zuidelijker streken. We zien in zulke veranderingen ‘graag’ getuigenissen van klimaatveranderingen, maar zo eenvoudig is dat nog niet. Is het optreden van verschillende Lipvissoorten op zichzelf een teken dat het ‘warmer’ wordt; dat lijkt ook voor veel meer soorten te gaan gelden: mediterrane meun, tonijn- en bonitosoorten,  verschillende roggen- en haaiensoorten. Voor de kenners mogen we nog veel meer soorten – ook goed bevisbare – verwachten als: grootbekharder, geelstaart-horsmakreel, Europese barracuda, Spaanse makreel, ombervissen, zaagbaarzen, allerlei dorade-achtige soorten, de zonnevis, het blauwkeeltje en de alsmaar noordelijker optredende horsmakreel.

 

Bot vangen hoort erbij...

 

Grondels

Maar er zijn ook soorten die qua grootte minder zullen opvallen, zoals grondels, sierbotten,  kleinere tongsoorten, ponen en sardien. Zijn soorten met een meer noordelijke verspreiding qua areaal aan het inkrimpen of lijkt dat zo? Zijn koolvis, schelvis en kabeljauw daar een voorbeeld van, of speelt hier de beroepsvisserij nog een rol? Wellicht is dit niet de plek om er veel dieper op in te gaan, maar we zien en vernemen dat het bestand aan vissen – met soorten die we aan de hengel kunnen vangen – voortdurend aan verandering onderhevig is. En je kunt in het algemeen niet zeggen dat die verandering ook nog eens achteruitgang in aantal of grootte betekent.

 

De bekende stek bij de vuurtoren bij Strib...

 

Kliplipvis

Een kliplipvis, roze-bruin, stekelig als een baars, met een markante zwarte stip boven aan de staartwortel. De ogen staan bol omdat de vis van een diepte van ruim 20 meter water is opgevist. De visjes worden hooguit een centimeter of 15 en gaan per omgaande weer het water in. Ze zwemmen meest rechtstandig naar beneden, maar ze worden nog wel eens onderschept door een het water induikende meeuw die ze ondanks alle stekeligheid gewoon naar binnen slikken: nog even een schreeuw als dankbaarheid en weg zijn ze weer, net zo plots als ze uit de lucht kwamen vallen….

 

Roze-bruin, stekelig als een baars en met een markante zwarte stip boven aan de eerste rugvin en staartwortel...

 

Verhoudingen verschuiven

Sinds 1995 vissen we ieder zomer (september) één week op de Kleine Belt. En bij de inmiddels opgemerkte veranderingen vallen er een paar erg op. Zo valt op dat twee niet-commerciële soorten door ons pas sinds 1998 gevangen worden, dat wil zeggen dat we de Gewone zeedonderpad zo tot 2013 nog veel of in overheersende mate vingen, terwijl we de kliplipvis voor het eerst in 2005 vingen, een soort die we tegenwoordig in vergelijking met de Gewone zeedonderpad tegenwoordig juist in veel grotere aantallen vangen. In de bijgaande grafiek hieronder zijn de aantallen door percentages vervangen, waardoor de onderlinge verhoudingen sneller opvallen.

 

In de Kleine Belt vangen we tegenwoordig vooral kliplipvis ten opzichte van de Gewone Zeedonderpad. Beide soorten beschouwen we overigens als een soort bijvangst, die na de vangst direct weer in het water teruggezet wordt. Beide soorten hebben geen commerciële betekenis en voor zover mij bekend ook geen culinaire. De Gewone zeedonderpad zou trouwens kunnen passen in een vissoep, maar er is mij daarover niets bekend.

 

 

Zeedonderpad

We hebben de indruk dat beide soorten in dit gebied zo ongeveer hetzelfde leefgebiedje bezetten maar elkaar in diepte aanzienlijk overlappen: de kliplipvis bewoont het relatief ondiepere water en bezet daar vooral de kale, vermoedelijk vooral lichtbruine, lemige plekken, en de Gewone zeedonderpad het relatief diepere water waar door wiergroei en gesteente een veelheid aan ‘bonte’ ondergrond aanwezig is mét veel schuilplekken voor de jager en de bejaagden. Hun jaagtechniek, gelet op hun bek en ‘paktechniek’ is verschillend, maar ook weer met een aanzienlijke overlap: de lipvis eet met een pincet-achtige precisie en de donderpad is een schrokop . Het visaas dat wij gebruiken eten ze allebei,  en op grond daarvan verwachten we ze beide in dezelfde mate te kunnen vangen. Het verschil dat we opmerken in onze cijfers proberen we te relateren aan een verschuiving in het watermilieu ten gevolge van klimaatverandering: de kliplipvis is een meer warmte-minnende soort, die hier bezig is om de verweerde lemige onderwaterranden en -hellingen  te koloniseren, terwijl de Gewone zeedonderpad in haar areaal een duidelijk noordelijk zwaartepunt heeft (gelet op de grootte van de vissoorten)  en die het hier ‘te warm’ gaat vinden.

 

Een goed gecamoufleerde Gewone zeedonderpad wordt in deze streek ruim 20 cm groot en bijna de helft van het stomp-stekelige lichaam bestaat uit kop-met-bek. De kleurschakering is vaak schitterend, met een deels geel- of oranje gekleurde onderkant. De tandeloze bek kunnen ze plots opensperren waardoor ze allerhande voedsel, dus ook ons visaas, zo kunnen opslokken.

Gewone zeedonderpad...

 

Vissen in golven

In al deze jaren hebben we inmiddels ruim twintig soorten weten te bemachtigen. Hieronder zijn er een drietal die we speciaal beogen te vangen: kabeljauw, wijting en schar. Natuurlijk zijn andere soorten ook welkom, maar die vangen we hier en in dit jaargetijde – net na de zomer dus – nauwelijks. Als we onze vangsten van deze drie soorten op een rijtje zetten, dan zien we een duidelijk patroon. Over deze periode van ruim twintig jaar zien we dat het aandeel kabeljauw steeds kleiner wordt en dat van Wijting en schar geleidelijk toeneemt. De onderlinge verhouding tussen deze laatste twee soorten schommelt door de jaren heen van periodieke overheersing van de een en dan weer de andere. Naast het getalsmatige effect is het bovendien zo dat de vissen steeds wat kleiner worden, en qua grootte dichter bij hun minimummaat zitten.

 

Zelden kabeljauw boven de 60 cm...

 

Beconcurreren

In dit gebied en die tijd van het jaar vangen we maar zelden kabeljauw groter dan 60 cm en verreweg de meeste wijting is erg klein te noemen. De schar wordt ook kleiner. Het is uiteraard gemakkelijk om de beroepsvisserij voor dit soort bevindingen als hoofdoorzaak te zien, maar zo eenvoudig is dat niet. Wellicht dat er allerlei verschuivingen in voedselaanbod aan de orde zijn, zodat opgroeiende vissen in die ‘groottefase’ elkaar beconcurreren, waarbij wijting en schar het net wat beter doen dan de kabeljauw. En wellicht dat het voedselaanbod en de concurrentiekracht een nog wat grotere rol spelen. De verschijnselen die we zien, roepen veel vragen op zonder dat we duidelijke antwoorden kunnen vinden. En zouden we bij machte zijn om überhaupt daarop invloed te hebben…?

 

Deel 3 van deze drieluik over Denemarken is over enkele dagen te lezen op deze website.

 
 

Klik hieronder om een film over het onderwaterleven te zien op de Kleine Belt…

 

 

 

 

 

 


Reactie plaatsen

 

Uw reactie is meer dan welkom en zal bij goedkeuring door de redactie geplaatst worden.

 

Reacties (0)

Er zijn nog geen reacties geplaatst.