Mun Bankske | Blog Hank Perrée

08 september 2017 | Hank Perrée

Hank Perrée

Hank Perrée is schipper op een eigen charterboot en schrijft maandelijks een blog over zijn avonturen aan boord.

Ik ben begin deze week 54 geworden. Ben er niet trots op, ben er niet verdrietig om, ben er niet blij mee en ik ben er ook niet rouwig om. Het is nou eenmaal zo. “Ja”, zegt Odette, “Je wordt ouder jongen.” Op zich is dat fijn, want als je niet langer ouder wordt, ben je dood.

 

Ik hoop dat we er nog een jaar of 25 à 30 achteraan kunnen plakken, maar op die dozen met sigaren staat nadrukkelijk met grote zwarte letters dat je er dood aan gaat. Ons moeder, die zich heel haar leven te pletter rookte, zei altijd luchtigjes: ”en van niet roken ook…!” Enfin, we zien dus maar letterlijk en figuurlijk waar het schip strand. 54 Dus en dan blijkt dat je niet meer van die maffe streken moet uithalen. Zoals deze:

 

Vorig jaar zijn we sinds langere tijd weer naar ons geliefde eiland Oleron gegaan. Een flinke banaan van 26 kilometer voor de kust van Zuidwest Frankrijk. Zeg maar zo’n beetje voor de kust van Bordeaux en la Rochelle. Daar bleek dat de combinatie van een (toen!) 53-jarige man die in een iets te klein rubberbootje aas zat te snijden op de rubberbootvloer niet zo’n hele geschikte was. Na volledig door de buiten- én binnenkamer van onze rubberen zeereus heengejast te hebben, ontspon zich (op 6 mijl van de kant op een enigszins woelige Atlantische Oceaan) een evenzeer ludieke als nijpende situatie.

 

Het gat waaruit luid sissend de broodnodige lucht in rap tempo verdween, kon redelijk moeiteloos met één hand worden dichtgedrukt. Maar… al eens geprobeerd om met de overgebleven hand een hengel binnen te draaien? En dat valt dan nog eens in het niet bij het onder je arm door met je andere arm de buitenboordmotor te starten.

 

Toen ook deze schier onmogelijke opgaaf met een geruststellend brommend geluid tot een voorspoedig einde was gebracht, kwam de laatste uitdaging. Het anker binnen halen. Daar heb je echt twee handen voor nodig, maar het sissend dilemma werd alras duidelijk. Gat dicht houden bleek absoluut prioriteit nummer 1. Gelukkig is deze mafketel gezegend met een nog in uitmuntende staat verkerend gebit zonder protheses, dat in voorkomende situaties uitstekend als ‘tweede hand’ blijkt te kunnen fungeren. Zo ook bij het binnenhalen van het ankertje. Daarnaast is het erg fijn dat rubberbootjes niet zo’n heel groot anker nodig hebben…

 

Omdat ik niet naar voren durfde te gaan om het anker écht binnenboord te trekken, zwabberde dit met zijn betonijzeren stekels vervaarlijk tegen de nog in redelijk opgeblazen toestand verkerende romp. Ideaal was de situatie al met al niet en de terugreis aanvaardend, leek het mij in een helder ogenblik verstandig het thuisfront te waarschuwen om enige hand- en spandiensten te verrichten bij aankomst van ons zeeschip in de veilige haven.

 

Met het ankertouw nog steeds braaf in mijn mond, één hand voor dat vermaledijde gat, één hand om de motor te bedienen (nog steeds onder die andere arm door…) de telefoon tussen mijn schouder en oor balancerend, moet mijn noodoproep ongeveer zo geklonken hebben:

 


 

 “Schwappeke, fom maaf feel sfel gaar fe kant fant fet baat fier fiet fefemaaf foed…”

 


 

Gelukkig kent mijn lieve eega mij nu ondertussen al zo lang dat ze onmiddellijk in de gaten had dat haar komst naar de trailerhelling dringend gewenst was. Aldaar aangekomen, werd mij door een licht bibberende Odetteke met opvallend vaste stem de woorden “En nu is het afgelopen met dat maffe gedoe, Oeteletoet.” toegebeten. Dit bleek het verplichte einde van het rubberbootexperiment.

 

Mun Bankske  Blog Hank Perrée

Miniwies bleek een prima alternatief voor ons eerdere rubberen pieremegoggel.

 

Toen we in een ver geleden nog met de kinderen naar ons Oleron gingen, heb ik me na de eerste vakantie plechtig beloofd om er nooit meer zonder boot naar toe te gaan. Met de andere vakantievisavonturen in mijn hoofd moest er dus iets op gevonden worden. Gelukkig deed het gat-in-boot-debacle zich voor op één van de laatste dagen van de vakantie en gezeten naast een volledig leeg zieltogend rubberbootje bleek de wifi verbinding voor een uitstekende connectie met Marktplaats te zorgen.

 

Nou is het van de gekke om voor drie weken vakantie een duur apparaat aan te schaffen (per slot van rekening zit ik heel het jaar al op een boot) maar een zo nu en dan over mijn schouder heen kijkend opperhoofd stelde ernstige eisen aan het drijfvermogen van de aan te schaffen megakotter. Een rubberboot was volledig ‘nicht im frage’, maar toen ik stiekumpies naar mijn oude liefde aan het kijken was, bleek dit de goedkeuring van mijn schatteke te kunnen wegdragen. Voor ik mijn schamel loon bij elkaar viste op ms. Wiesje heb ik lang een Boston Whaler Montauk gehad en de één na kleinste 11 voets variant die op Marktplaats prijkte, kon er volgens de directie wel mee door.

 

Met de hulp van de allerbeste edelsmid van België, Kevin, de allerbeste groentekweker van Zevenbergen, Pierre, en de allervriendelijkste matroos Luc, stond er werkelijk voor een appel en een ei een klein maar onverwoestbaar apparaat klaar om dit jaar mee naar Frankrijk te gaan. Mét plotter, mét marifoon en mét superdieptemeter. Ut botje glom van trots. Voortgestuwd door een 15 pk ketste deze oceaanreus met de toepasselijke naam Miniwies met 40 kilometer per uur over de woelige baren. Nog eens erg leuk ook!

 

We vertrokken deze zomer wat in mineur naar Frankrijk, omdat het ‘Opa en Oma zijn’ helaas nog wat op zich laat wachten. Moeder Natuur heeft zich jammerlijk genoeg van haar slechtste kant laten zien. Bart en Mexim zijn er na de nodige traantjes supernuchter onder en met een ondeugend “we oefenen gewoon verder en dat is best leuk.” werden we op weg gestuurd met de uitdrukkelijke opdracht er niet wakker van te liggen. En dat doen we dan ook maar niet.

 

Erg leuk was dan ook de verrassing dat ons eigen kindergebroed op Oleron arriveerde. Met Jerom moest er NATUURLIJK ook gevist worden.
Reeds jarenlang was ons daar één ding duidelijk bij ongeacht welke bodemvisserij dan ook. Je móést voeren. Gek dat we dat in Nederland eigenlijk niet doen. Daar in Frankrijk is het absoluut onmisbaar en de plaatselijke hengelsportwinkelier floreerde en stond al handenwrijvend te kijken als ‘Monsieur Ank’ zich voor de eerste zak ingevroren ‘Strouille’ meldde.

 

Mun Bankske  Blog Hank Perrée

Met dank aan Dave Lewis, maar hemeltjelief: wat meurt dat spul!
 
In de zomereditie van Zeehengelsport magazine, die helaas in het eerste vakantieweekend arriveerde, stond een artikel van Dave Lewis over voeren vanaf de boot. Maar die ZHS lag dus thuis. Via een duistere doch vriendelijke liaison op het redactiekantoor bereikten ons de PDF’s van mijn lijfblad en zo konden we toch de ins en outs van het zelfgemaakte voeder op zee tot ons nemen.

 

En ik moet zeggen: de combinatie van kattenvoer, rijst en wat megameurend visafval werkt perfect. Toen Jerom en ik ons op de eerste gezamenlijke visdag meldden op de rotsformatie ‘Clone’ op een mijl of zes van de haven bleek dat de zeekarpers ons lokvoer werkelijk onweerstaanbaar vonden. Samen met de nét gekookte kokkeltjes en de stripjes Chipiron (klein inktvisje) als aas hadden we daar een topdag met flinke zeekarpers. Jerom ving nog een mooie conger en ik verspeelde er nog eentje. Dat alles aan onze 25 tot 40 grams reishengeltjes. Het was geweldig. Trillende aanbeten, megaspurts en raggend door de slip gaan. Veel verspelen ook, maar als je er dan toch behoorlijk wat hebt, is het werkelijk super.

 

Mun Bankske   Blog Hank Perrée

Ons Jerom moest vanzelfsprekend ook vissen!

 

Bij het prepareren van het aas werd het overigens wel verdacht stil op de campingplaatsen rondom ons. Iedereen moest ‘ineens’ naar het strand of ‘gauw effe een boodschap doen’. Nadat ik bij het vullen van de zakken die in het voernetje gaan bijna kokhalzend over mijn nek ging, hebben we ons de rest van de vakantie maar beperkt tot het op peil houden van de plaatselijke middenstand en de kant en klare zakken aangeschaft…

 

Onze gloednieuwe Miniwies is net een kurk. Ook al staat het ding tot de rand toe onder water (onbedoeld proefondervindelijk meegemaakt), ze is met geen duvel of geweld tot zinken te brengen. Dat is een geruststellende gedachte. Miniwies bleek dan ook uitstekend in staat om bij een plots opstekende noordwest 5 tot 6 Bft absoluut veilig de haven te bereiken. Er komt een drupske over, maar ja: een kniesoor die daar op let.

 

Om nou echter bij windkracht 4 te GAAN vissen op zes mijl, dát was echt iets minder comfortabel en omdat ik toch graag weg wilde, vond ik een plekje in een soort natuurlijke kom vlakbij de haven. Tien minuutjes varen en tjoep, ankertje eruit. Die betonijzeren staven met stekels kreeg ik van Frank en ze bleken uitgesproken geschikt om op die rotsgrond daar te vissen.

 

Het was op dat plekje erg ondiep, een meter of acht, en ik was allang blij dat daar een zeer behoorlijke zeekarperfamilie huisde. Pret voor 10 en de grootste zeekarper van de vakantie kwam notabene daar vandaan. Afgewisseld met horsmakrelen en de ‘Maquereau Espanol’ (Scomber japonicus), de Spaanse variant van onze eigen makreel, ging het daar prima. Iets anders als zeekarper en makrelen verwachtte ik daar eigenlijk niet.

 

Op een dag zag ik echter een man een meter of 50 verderop in een bootje puffend en steunend iets groots naar binnen halen. Het duurde nogal even en de loebas werd aan de voor mij onzichtbare kant van de boot binnengehaald met een net. Tot mijn stomme verbazing werd na het terugzetten van het dier (bleek later een conger te zijn en die willen de Fransen niet) onmiddellijk het anker eruit getrokken en 300 meter verderop geankerd. Met stomheid geslagen na zo veel gekheid, bevestigde ik een op een stalen onderlijntje gemonteerde pennel rig (special de luxe van Arian van ms. Limanda) aan een van de hengels en versierde de haken met een strip Spaanse makreel. Lang verhaal kort: de in vieren gesneden makreel was een half uurtje later schoon op, met als resultaat evenzoveel congers in lengte variërend van 90 centimeter tot 1 meter 30. Geen ‘English Channel’ monsters, maar als je nou met je Miniwies met je reishengeltjes zulke vissen kunt vangen, dan is dat toch wel erg leuk. Genieten met volle teugen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  Daar wordt een mensch toch gelukkig van!

 

Omdat de Spaanse makreel zijn diensten had bewezen -maar vooral omdat ie op was- dan maar een strip horsmakreel eraan. Daarin had ik iets minder vertrouwen, want die horsbankers zijn niet zo lekker bloederig. In Frankrijk blijkt echter dezelfde schipperswijsheid te bestaan als in Nederland: “Ze doen het of ze doen het niet…” En dus maakte het geen pepernoot uit wat je er voor flapper aan deed. Ze deden het gewoon!

 

Na weer een conger volgde er een rare aanbeet. Het dier wilde erg graag een reishengeltje een natte douche bezorgen, maar in een vlaag van alertheid lukte het me om de hengel net op tijd te pakken. Als een soort grote vlieger kwam er na een leuke strijd een flinke rog binnen. Nou weet ik alles van scharren, maar blijkbaar niet van roggen. Ik zag een berg stekels en dacht dus meteen aan een stekelrog (Raja clavata). Onmiddellijk werd ik van diverse kanten door erkende deskundologen op mijn vingers getikt, want het bleek een, blijkbaar bijzonderder, golfrog te zijn (Raja undulata; de rog die ze in Engeland Undulate ray noemen). Naja, maakt het uit. Ik vond het gewoon een mooie rog en na nog wat congers zweefde ik in de zevende hemel met Miniwies terug naar de haven.

 

Mun Bankske  Blog Hank Perrée 7

Een golfrog als onverwachte bonus.

 

Zo komen we tot slot op de titel van dit schrijfseltje. Rubberboten zijn fijn. Je moet er niet in snijden, maar als deze op zich overkomelijke hobbel in acht wordt genomen, is het goed te doen. Je kunt heerlijk zitten op het zachte kussenachtige rubber en je benen languit doen. Dat is plezierig. De in het inmiddels grijze verleden bezeten Montauk was om lekker te zitten voorzien van zo’n koelbox met een kussen erop en zo’n klapleuning. Zalig hoog en je kon er moeiteloos dagen op doorbrengen. Dat ik toen een jaar of 35 was, heeft er ongetwijfeld mee te maken.

 

Miniwies heeft niet zo’n luxe artikel aan boord. Miniwies heeft een weliswaar mooi gelakte, maar slechts 20 cm hoge houten plank als zetel. Terwijl ik aan het einde van bovengenoemde vissige dag figuurlijk naar huis zweefde, had ik letterlijk een houten reet van heb ik me jou daar. Dat 53-jarige botten het niet leuk vinden om als de hoogste vorm van Yoga in een onmogelijke pose een uur of wat opgevouwen in een iets of wat klein bootje te bivakkeren, is mij volstrekt duidelijk geworden. Na deze (want ik mocht van Odette ook een lange dag doen) acht uur durende strijd met het wat knerpender en in mindere mate aanwezige kraakbeen, had een rollator niet misstaan toen ik van de trailerhelling over het haventerrein naar de auto liep.

 

Mun Bankske  Blog Hank Perrée 8

Zelfs als jonge god had ik letterlijk een houten reet van heb ik me jou daar...

 

Twee dingen weet ik zeker: Miniwies gaat volgend jaar absoluut mee op vakantie en diezelfde Miniwies is volgend jaar absoluut uitgerust met een hogere zit met luxe kussen…..

 

Zo, dit was het weer, tot de volgende.

www.wiesje.net
 

 


Reactie plaatsen

 

Uw reactie is meer dan welkom en zal bij goedkeuring door de redactie geplaatst worden.

 

Reacties (2)

 

caroline

Mooi verhaal!!!

Michel de Bruin

Hank,

Nog gefeliciteerd!! Vele gezonde humor jaren met veel visplezier.

Groeten ut dat maffe Engelseland,
Michel